maandag, juni 09, 2014

In de White Room with Black Curtains


Foto © Krijn van Noordwijk, 2014

Krijn van Noordwijk (1958) en ik (1947) zitten tegenover elkaar in ‘The White Room With Black Curtains’, de studio van art director slash fotograaf Mart Boudestein. Stevige rock ‘n’ roll op de achtergrond. De tafel is van bouwsteigers gemaakt. Het onderstel van buizen en koppelstukken, het blad van ruw geschaafde loopplanken. Erop staan vijf schaaltjes van wit aardewerk: een met rode en witte druiven, een met M&M’s, een met aardbeien, een met chocolate chip cookies en een met mandarijnen. Ik ga voor de M&M’s.

Ik ben bij Krijn om mijn tattoo te laten fotograferen. Dat leek me geen goed plan. Ik ben op een leeftijd dat je niet meer in het openbaar uit de kleren gaat. Krijn stelt me gerust. (Hij is heel goed in geruststellen, heeft er een mooie, diep donkerbruine stem en rustige grijze ogen voor.)

Krijn draagt zwarte schoenen en daarboven een Manchester broek (van het Franse merk Laboureur) met extra hoge taille. Zwarte rib, met knoopsluiting en bretellen. Een donkergrijs gilet over een lichtgrijze Jaeger borstrok. Op het hoofd een grijze, platte pet. Met deze outfit zou hij zo in ‘Small Trades’ passen, de reeks portretten die Irving Penn in 1950 en ‘51 van eenvoudige ambachtslieden maakte. Nu die illustere naam toch gevallen is: net als Penn kiest Krijn ervoor zich te beperken tot het contact met de te portretteren persoon zelf, zonder de toevallige bijkomstigheden uit diens dagelijks leven. In gewone kleren, geïsoleerd in de studio. Zonder kunstgrepen of de toevoeging van accessoires. Een directe dialoog tussen fotograaf en model, gevangen door de stille waarnemer: de camera. En net als Penn roept Krijn door zijn persoonlijkheid een sfeer van verbazing en verwondering op, een nieuwsgierigheid waar je je maar moeilijk tegen kan verzetten. (Ik ook niet.)

Ik draag krokodillen-leren cowboylaarzen, een zwarte broek en een wit, getailleerd overhemd dat als een corset om mijn dikke journalistenbuik spant. (Ik neem nog een handje M&M’s.) Gelukkig is het zwarte colbert ruim gesneden. De donkerrode stropdas is nog van Krijns vader geweest. De enige das die Krijn bezit.

Voor Krijn aan het werk gaat, moet er gepraat worden. (Bij Krijn wordt veel gepraat. De ontmoeting is net zo belangrijk als de foto. Het is wel eens gebeurd dat het gesprek zo intens was dat Krijn bijna vergat een foto te maken.) Hij heeft mijn tattoo eerder gefotografeerd. Voor een advertentie. Wanneer dat was, wil Krijn weten. Ik graaf in mijn geheugen. Een jaar of achttien geleden. Mijn tatoeage is een kleine 25 jaar oud. Laten zetten toen ik het reclamevak uit wilde om iets anders te doen. Iets met fotografie en schrijven. In de Volkskrant van 8 december 2001 zegt Henk Schiffmacher: „Veel mensen nemen een tattoo op zwakke of moeilijke momenten in hun bestaan. […] Vaak worden tatoeages gezet in de puberteit of in een midlife-crisis, instabiele perioden in het leven.” Zoiets was het bij mij. Ik liet Henk een rolletje Kodak Professional Tri-X 400 ISO 35 mm op mijn bovenarm tatoeëren. Op mijn andere arm wilde ik een vulpen, een Montblanc Meisterstück 149. Dat is er nooit van gekomen. Weet niet waarom. Toch maar ‘ns doen.

Ook Krijn heeft in zijn leven een carrièreswitch gemaakt. Meerdere zelfs. Maar hij voelde nooit de behoefte die stappen in tattoos vast te leggen. Gezien het aantal verschillende dingen die hij deed, is dat misschien maar beter ook. Hij studeerde voor kunstschilder, werd art director en daarna creative director, schreef advertentieteksten, regisseerde commercials, maakte (en maakt nog steeds) muziek en bouwt gitaren. Sinds 2006 is hij fotograaf. Net als ik heeft hij het reclamevak nooit echt los kunnen laten. Alleen dit jaar al heeft hij voor een aantal advertentiecampagnes de foto’s gemaakt, een commercial geregisseerd en zelfs, als art director, aan de ideetjes voor reclameconcepten gewerkt. Als ik hem spreek, heeft hij net in de jury van de Art Directors Club Nederland (ADCN) gezeten. (De reclamewereld lijkt een club waarvan je het lidmaatschap niet op kunt zeggen.)

De eerste keer dat Krijn mijn tattoo vastlegde, was hij net ‘Laboratorium’ begonnen, een creatieve hotspot in de geest van Andy Warhols Factory, waar kunst en commercie naast elkaar konden floreren. Daar ging Krijn zijn eigen concepten fotograferen. Hij pakte het fototoestel om wat in zijn hoofd zat, vorm te geven. De camera als veredeld schetsblok. De foto’s van toen kunnen zo naast zijn foto’s van nu. Technisch is hij gegroeid, maar het is nog steeds dezelfde zoektocht, dezelfde beeldtaal waarvan de kracht in de eenvoud zit.

Krijn scheurt de linkermouw uit mijn overhemd en gaat het colbert met een mes te lijf. Het is een goed jasje. Het mes breekt. (Notitie voor Mart Boudestein: vergeet niet de kosten voor een mes op de rekening voor de studiohuur te zetten.) Als de mouwen kapot, echt goed kapot zijn en er ook nog een stuk van de schouder van het colbert is afgeknipt, mag ik op een kruk in de set plaatsnemen.

De muziek wordt hard gezet. Jimi Hendrix. Ik vertel Krijn over de nieuwe liefde in mijn leven. Een Amerikaanse, geboren in Brooklyn. Mijn kinderen waren bang dat ze jonger dan zij zou zijn. (Ze kennen hun vader.) Ik kon ze geruststellen. Mical was in Woodstock. Ze heeft Hendrix live The Star Spangled Banner zien en horen spelen. “Wat,” riepen mijn dochters in koor, “is ze al zo oud?” (Het is ook nooit goed.)

Mical heeft, wat ze zelf gekscherend zegt, ‘een dronken tattoo’. Zo eentje waar je op een ochtend mee wakker wordt, zonder te weten hoe je eraan gekomen bent. Twee van mijn drie dochters hebben ook tattoos. Gezet in Henk Schiffmachers Hanky Panky Tattooing. Dat hebben ze van hun vader, a simple taste. Always satisfied with the best. (Oscar Wilde.)

Ook Krijn houdt van simpel. Links één lichtbron, met paraplu, die driekwart van mijn gezicht belicht. Een wit reflectiescherm rechts. Een zwarte achtergrond. Continu licht, geen flits. Krijn vindt flitslicht storend, zoiets als het geratel van geweervuur.

Jimi Hendrix maakt plaats voor hiphop. (Je kan niet alles hebben.) Krijn zoekt naar een beeld dat gevormd is door de persoonlijkheid van de geportretteerde. Diens essentie moet erin zitten. Op rustige toon trekt bij me naar een pose die hij mooi vindt. “Kop draaien,” zegt-ie. “Ietsje hoger. Ik wil je ogen zien. Hoger die kin. Maak je lang. Dat je de man van de wereld uithangt. Je schouder iets naar voren. Heel goed. Laat die arm eens hangen. Iets minder met de schouder. Laat nou die andere arm ook ‘n hangen. Draai je kop nou wat meer naar me toe.”

In minder dan 20 minuten staat het erop. “Ik heb het, denk ik,” zegt Krijn. Ik heb me geen moment ongemakkelijk gevoeld, me een beetje door Krijns rustige stem laten biologeren. Hij laadt de opnames in zijn computer en we bekijken ze op de monitor. Het zal een statig, klassiek portret worden, zoveel is zeker. Een echte Krijn van Noordwijk is het pas na de postproductie. Krijns computer is zijn donkere kamer. Daar ontstaat uit ruw materiaal het definitieve beeld. Dat is voor Krijn net zo spannend als het fotograferen zelf. Van een halffabrikaat gaat hij zo naar het eindproduct. In dat proces voelt hij zich als een kind dat morgen jarig is.

Ik laat het jasje en het overhemd in de kleedkamer, neem nog een handje M&M’s en ga naar huis. Een bijzondere ervaring rijker. Mijn hart getatoeëerd met gevoelens en indrukken, zoals inkt het beeld in de huid brengt.

© Pim Milo, 2014

0 Comments:

Een reactie plaatsen

Links to this post:

Een link maken

<< Home