zondag, maart 08, 2009

Paul Blanca

Paul Blanca, enfant sauvage

Het zou een foto uit de Abu Ghraib-gevangenis kunnen zijn. Een stuk ijzerdraad vormt een gesloten cirkel. Via een in de muur verankerd schroefoog gaat het de ene wang in, de andere wang uit en dan weer naar het schroefoog. Het slachtoffer kan geen kant op. Degene die deze kwelling moet ondergaan, is Paul Blanca (1958, geboren Vlaswinkel). Het beeld is er een uit een serie indringende zelfportretten waarin de fotograaf zich onaangename dingen aandoet. In gewelddadig, hard fotowerk geeft Blanca blijk van een macabere hang naar realisme. Hij speelt daarbij met sterke emoties als angst, verdriet, pijn, agressie en seksualiteit; met dierlijke en primitieve instincten. Hij doorboort zijn neus met een pen en een veer. Met een scheermes laat hij de contouren van Mickey Mouse in zijn rug snijden. Met grove steken naait hij zichzelf de lippen op elkaar. Hij kroont zijn hoofd met een krans van kippenkoppen, de muur achter zich met bloed besmeurd. Hij spijkert de rechterhand aan een kruis. Tegenover deze gewelddadigheid staat tederheid. Blanca met zijn pasgeboren zoontje. De baby rustend op vaders bovenarmen, de handen om het hoofdje. Handen, armen, bovenlichaam en hoofd van Blanca vormen een beschermende ring. Het beeld is zo aangesneden dat er nog een toefje schaamhaar zichtbaar is. Om eraan te herinneren dat hij niet alleen de liefhebbende vader, maar ook de wellustige verwekker is. Een andere foto toont een naakte Blanca in een innige omhelzing met zijn eveneens naakte moeder waarbij hij haar in aan zinnelijkheid grenzende genegenheid vol tegen het blote lijf aandrukt. Oedipus ten voeten uit.

Als Blanca zichzelf fotografeert met een bos levende paling in de mond, doet hij dat om zijn eigen grenzen te tarten: paling is het meest walgelijke wat hij kent. Het is masochisme noch zelfdestructie, maar pose. Het scheermes waarmee in de huid wordt gekerfd, is nauwkeurig gekalibreerd opdat het hooguit een halve millimeter diep kan snijden. Genoeg om haarvaatjes te raken, te ondiep om blijvende schade aan te richten. Het door de wangen gestoken ijzerdraad heeft een vlijmscherp geslepen punt en is grondig gedesinfecteerd. Ook de door de hand geslagen spijker is gepunt en ontsmet, terwijl Blanca de plek zo heeft bepaald dat er geen bot geraakt kan worden. En de nijptang ligt binnen bereik. Die precieze voorbereiding maakt dat de foto's de registratie van een performance zijn.

In 1980 werd danser en choreograaf Hans van Manen aan Paul Blanca voorgesteld. Van Manen is dan - gestimuleerd door de met hem bevriende Robert Mapplethorpe - net een beetje aan het fotograferen. Ook Blanca fotografeert - in kleur - met een kleinbeeldcamera. Al snel na die kennismaking stapt Blanca over op een Hasselblad camera en dus op 6x6 cm. Van Manen zou die overgang een jaar later maken. Eerder dan Van Manen heeft Blanca een donkere kamer, waar hij Van Manen het dokawerk bijbrengt. Maar Van Manen is de eerste met een studio. In 1981 leert Van Manen Erwin Olaf kennen, die dan assistent is van fotograaf André Ruigrok. Gedrieën - Blanca, Van Manen, Olaf - fotograferen zij elkaar, wisselen foto's, kennis en ervaring uit en praten over dokatechnieken, fotografische materialen, technische vorderingen en andere ontdekkingen. Blanca maakt Van Manen vertrouwd met de Hasselblad en Van Manen wijst Blanca de weg in de studiofotografie: de kracht van de eenvoud, hoe met weinig middelen veel te bereiken. Jarenlang kent dit driemanschap een uiterst vruchtbare samenwerking. Ondertussen ontwikkelt Blanca zich en heeft hij al snel een eigen signatuur. Van Manen introduceert Blanca in zijn kunstminnende vriendenkring, waar die als enfant sauvage - en om zijn goddelijke lichaam - bewonderd wordt. Blanca, die heteroseksueel is, laat het zich welgevallen.

Blanca - die ook is gaan schrijven - wil voor Nieuwe Revu een reportage maken over de zwervers, daklozen en junks in de riolen en metrotunnels van New York, de ondergrondse woonlagen van wat Blanca 'een omgekeerde flat' noemde. Hij vat het onzalige idee op om harddrugs te gaan gebruiken, om zich getrouw in te kunnen leven. Hiermee zet een periode van verval in.

De foto's van Blanca vinden dan al gretig aftrek en vormen een bron van inkomsten. Dat moet ook, want Blanca heeft voortdurend geld nodig. Normaliter is het "not done" om zich tegelijkertijd door verschillende galeries te laten vertegenwoordigen of er voortdurend van te wisselen. Maar het komt Blanca niet slecht uit dat hij vanwege de goede verkoopresultaten overal terecht kan. Tot 1986 wordt Blanca vertegenwoordigd door Ton Peek, die de relatie beëindigt als die onwerkbaar is geworden, onder andere door het buiten Peek om in roulatie brengen van inferieure drukken. Op en af wordt het werk van Blanca verkocht door Jaap Witzenhausen, Vous êtes Ici, Rob Malasch, Galerie Donkersloot en Reflex Modern Art. Art Unlimited geeft daarnaast reproducties uit; posters en ansichtkaarten. Ook zijn er heel even galeries in Parijs en New York, maar die verbintenissen duren slechts kort. In zijn honger naar geld schroomt Blanca niet om werk nog tijdens de opening van een nieuwe tentoonstelling van de muur te halen en zelf, voor lagere prijzen, aan klanten aan te bieden. Jaap Witzenhausen koopt Blanca's negatieven, om de verkoop van afdrukken te kanaliseren en edities te bewaken. Dit voorkomt niet dat er drukken van mindere kwaliteit op de markt komen. Blanca gaat bij galeriehouders en verzamelaars langs om het werk uit hun bezit - desnoods onder bedreiging - te lenen. Hij maakt er reproducties van waarna hij, op basis van het verkregen duplicaatnegatief, opnieuw foto's kan drukken. Het valt daarom niet mee om Blanca's werk te verzamelen. Prints zijn niet geregistreerd en edities weinig betrouwbaar. Er circuleren "roofdrukken" die óf na de officiële oplage, óf van duplicaatnegatieven zijn gemaakt. Kwalitatief lopen deze latere drukken zeer uiteen.

In 1985 fotografeert Blanca een serie huilende vrouwen, Par la Pluie des Femmes. De vrouwen die met hun herinneringen bij intens beleefd verdriet verwijlen, zijn zich de aanwezigheid van de fotograaf niet langer bewust en geven zich geheel over aan hun leed. Het is een intrigerend, totaal ander aspect van Blanca dat we hier zien. Hij legt een overweldigende tederheid aan de dag voor de zachte, vrouwelijke kanten.
Een jaar later breekt Van Manen met Blanca. Het enfant sauvage is enfant terrible geworden. Sindsdien is het werk van Blanca van wisselende kwaliteit. Confronterende zelfportretten vormen niet langer het chef d'oeuvre. Zonder getormenteerde, provocerende aspecten lijkt Blanca's werk minder interessant geworden.

© Pim Milo, 2007

donderdag, maart 05, 2009

Robert Frank en The Americans

Op 15 mei 2008 was het vijftig jaar geleden dat The Americans van Robert Frank verscheen. Waarschijnlijk het meest vernieuwende fotoboek uit de geschiedenis.

In 1955 zag Edward Steichens tentoonstelling The Family of Man het levenslicht, “The Greatest Photography Show on Earth.” Tussen 1955 en 1962 verscheen de expositie op 91 plaatsen in 38 landen en werd daar door meer dan negen miljoen mensen gezien. The Family of Man kwam tot stand in een wereld die vol verwarring was. De Tweede Wereldoorlog lag nog maar kort achter ons en men deed zijn best om die zo snel mogelijk te vergeten. Het effect van de atoombom stond iedereen scherp voor de geest. Het Amerikaanse volk voelde zich onoverwinnelijk. De wederopbouw was in volle gang. Met instemming van Stalin begon in 1950 de Koreaanse oorlog. Onder Joseph McCarthy en Richard Nixon was er in de Verenigde Staten een heksenjacht op communisten gaande. Het waren ook de jaren van het spionageproces tegen Ethel en Julius Rosenberg en van de dood van Stalin. De bewapeningswedloop was in volle gang. Vanuit een mengeling van humanisme en nationalisme wilde Steichen met The Family of Man een optimistischer wereldbeeld helpen creëren.

In 1956 zette William Klein met zijn Life is Good for You in New York – William Klein Trance Witness Revels, kortweg New York, zo ongeveer alle toen geldende fotografische conventies op zijn kop. Technisch kende Klein geen taboes: korrel, contrast, onscherpte, compositie, fouten… alles kon. Zijn foto’s van het leven in New York zijn van een genadeloos realisme, en tegelijk een visuele weerslag van de psychologische, sociale en economische stemming van die tijd. Hij liet een samenleving zien die niet strookte met het Amerikaanse zelfbeeld. New York was op een bezoedelende manier grof en confronterend.

Het enige boek dat in de jaren ’50 meer controverse teweeg zou brengen dan New York, was The Americans van Robert Frank.

The Americans verscheen, als Les Américains, op 15 mei 1958 bij Robert Delpire in Parijs. Het werd in Frankrijk uitgegeven omdat geen uitgeverij in Amerika eraan wilde. Les Américains bevatte 83 foto’s die Frank in 1955 en 1956 in de Verenigde Staten maakte, vergezeld van een door Alain Bosquet samengestelde Franstalige tekst over de politieke en sociale geschiedenis van Amerika. Delpire’s Les Americains maakte deel uit van de serie Encyclopédie essentielle, waarin het buitenland aan een Frans publiek gepresenteerd werd.

De eerste Engelstalige editie van The Americans verscheen in 1959 bij Grove Press in New York, een jaar nadat de Franse uitgave al de nodige ophef veroorzaakt had. De door Alain Bosquet geredigeerde tekst was vervangen door een Engelstalige van Jack Kerouac. Dat maakte de Amerikaanse uitgave een ander boek. Bosquet plaatste de foto’s in een sociaal-documentaire context. Dankzij de tekst van Jack Kerouac werd het ‘a sad poem sucked right out of America.’ En dankzij Kerouacs voorwoord verwierf het boek populariteit bij de Beat generatie en bereikte het een breder en ruimdenkender Amerikaans publiek.

Vanaf dat Frank aan de foto’s werkte, had hij moeite die gepubliceerd te krijgen. Life bedankte ervoor en de New York Times plaatste slechts één foto. Pageant was het enige massamedium dat, in april 1958, een spread wilde inruimen. Dat The Americans een krachtig boek was, bleek uit de weerstand die het na publicatie ontmoette. Van de eerste druk werden slechts 600 exemplaren verkocht en de critici sabelden het neer. Popular Photography noemde het ‘een aanval op de Verenigde Staten’ en beschreef Frank als ‘een vreugdeloze man die het land haatte dat hem geadopteerd had’. Recensent John Durniak schreef dat Frank een heel goede fotograaf is van op zichzelf staande beelden, maar een slecht essayist en een weinig overtuigende verhalenverteller.

Vóór Frank was fotografie zuiver: zorgvuldig gekaderd en scherp gesteld, aandachtig uitgelicht. Frank brak met die regels. Scherp stellen interesseerde hem niet. Zijn foto’s waren korrelig, somber en onconventioneel van kadrering. De fotojournalistiek was ten tijde van Frank optimistisch en energiek, een weerspiegeling van de tijdgeest. Franks foto’s waren weinig opbeurend. Niet verheerlijkend maar ontmythologiserend.

Robert Frank (1925) emigreerde in maart 1947 naar Amerika, samen met een portfolio met 40 foto’s. Al snel mocht hij als modefotograaf aan het werk voor de legendarische art director van Harper’s Bazaar, Alexy Brodovitch. Maar Frank was niet gelukkig in New York en vertrok naar Lima, Peru. Geleidelijk aan verplaatste hij zich naar de Andes. Het was een zware reis. Zijn portemonnee werd gerold en zijn films gestolen. Hij reisde met Indianen in open vrachtwagens en sliep op de grond. Hij werd ziek en kon, omdat hij de taal niet sprak, niemand om hulp vragen. Frank verkeerde in een totaal isolement. En toch was het verblijf in Peru voor hem een van de gelukkigste periodes in zijn leven. Hij leerde er namelijk in stilte en afstandelijkheid te werken.

“Van alle foto’s in The Americans,” vertelde Frank een groep studenten in 1971, “zijn er misschien twee of drie waar ik met de geportretteerden heb gesproken. Meestal was er stilte. Wandelend door het landschap, door de stad, fotograferend en me dan omdraaiend. Zo steek ik in elkaar. Ik zwijg. Ik kijk. Daarom vind ik fotografie zo leuk. Ik kan weglopen, ik kan stil zijn. Er is geen directe betrokkenheid.”

Aangemoedigd door Walker Evans vroeg Frank een beurs aan bij de Guggenheim Foundation waardoor hij in 1955 en ‘56 kriskras per tweedehands auto door Amerika kon reizen, vaak met zijn vrouw Mary en hun beide kinderen. Net als het boek On the Road van Jack Kerouac, was Franks The Americans gebaseerd op een reeks doelloze reizen door Amerika, op zoek naar een ongepolijste blik op het gewone, Amerikaanse leven. De langste tocht begon in de herfst van 1955 en eindigde het daarop volgende voorjaar. In totaal maakte Frank 28.000 opnames, waarvan er 83 in The Americans belandden.

Franks boek is zo bijzonder, zo afwijkend van wat toen in fotoboeken gebruikelijk was, dat men opnieuw moest leren kijken. Frank rangschikte zijn foto’s in categorieën als diners, jukeboxen, auto’s, steden, mensen, verkeersborden en begraafplaatsen. En hij deelde The Americans in hoofdstukken in, telkens beginnend met een foto van de Amerikaanse vlag. Stuk voor stuk zijn alle 83 foto’s ijzersterk en van iconografische kwaliteit. “Dry, lean, and transparant,” zou John Szarkowski ze noemen in zijn standaardwerk Looking at Photographs. Maar de grootste kracht van het boek zit in de beeldsequenties, de indeling in vier hoofdstukken, de logica waarmee de ene foto op de voorgaande volgt en het onweerstaanbare tempo waarmee we naar het laatste beeld gevoerd worden.

Wie de foto’s nu bekijkt, zal er niets bijzonders in zien. Integendeel, het lijkt allemaal heel gewoon. Een auto, een jukebox, het zijn de symbolen van het Amerikaanse leven, een door machines geregeerd bestaan. Een met een hoes bedekte auto tussen twee palmbomen ziet eruit als een doodskist. Een pagina verder ligt een lijk in de berm langs de snelweg onder een deken, het slachtoffer van een verkeersongeluk. Op de laatste foto in The Americans staat een auto in de berm van de weg. Op de passagiersstoel voorin zit een donkerharige vrouw. Haar ogen staren vermoeid. Tegen haar linkerschouder rust het hoofd van een slapend jongetje en op haar schoot slaapt een meisje. Het is Franks gezin, zijn toenmalige vrouw Mary, zijn zoontje Pablo en zijn dochter Andrea. Beide kinderen zijn al lang geleden gestorven. Zelfs als je niet wist dat je naar Franks eigen gezin keek, was het beeld geladen met pathos, omdat auto’s door het hele boek heen aan symbolische betekenis gewonnen hebben. Ze staan voor The American Way of Life.

The Americans was controversieel omdat het als on-Amerikaans beleefd werd. Maar het was helemaal niet on-Amerikaans. Het was té Amerikaans.

Sinds 1959 is The Americans door verschillende uitgevers in diverse talen en op uiteenlopende formaten herdrukt. Sommige edities kwamen tot stand zonder dat Frank er inbreng in had, soms zelfs zonder zijn toestemming of medeweten. Aperture, Pantheon en Scalo brachten latere publicaties uit. Allemaal op basis van het Amerikaanse model maar met variaties in afmeting en in enkele gevallen met incidenteel een andere foto. Paginanummers kwamen en gingen, foto’s werden op verschillende manieren aangesneden en de vormgeving varieerde. Meest opvallend was de toevoeging van een drieluik, na de laatste foto in het boek. Franks bereidheid om het boek telkens aan te passen is een afspiegeling van zijn rusteloze, poëtische natuur. Elke nieuwe versie van The Americans is een reflectie van zijn veranderende kijk. De jubileumeditie die op 15 mei 2008 door Steidl werd uitgegeven, is geheel door Frank gesuperviseerd. Het formaat is terug naar dat van de oorspronkelijke Grove Press editie. De 83 foto’s werden opnieuw gescand van vintage prints uit de collectie van Frank. Alle uitsneden werden opnieuw bezien en in veel gevallen werd het gehele negatief gereproduceerd. Kerouacs tekst en Franks bijschriften zijn ongewijzigd ten opzichte van de uitgave van Grove Press, maar wel is de typografie gereviseerd. Wat verdween zijn de paginanummers en het drieluik achterin.

In The Americans staat een foto - ‘Charity ball, New York City’ - gemaakt op een liefdadigheidsgala dat ook door William Klein werd gefotografeerd. Alexander Liberman, art director van Vogue, had Klein erheen gestuurd, terwijl Frank er was op verzoek van Alexey Brodovitch. Op Franks contactafdrukken is William Klein terug te vinden. Frank had geen idee wie hij op dat moment fotografeerde, noch hebben de twee elkaar die avond gesproken. Het zou nog jaren duren voor ze elkaars kwaliteiten bewust werden.

Pim Milo © 2008