vrijdag, februari 16, 2007

Foutje? Bedankt!

Over de charme van imperfectie en het doodshoppen van beeld

Schoonheid bestaat bij de gratie van het onvolmaakte. Als alles om perfectie draaide, zou Madame Tussaud meer bezoekers trekken dan het Van Gogh Museum en zou de toren van Pisa geen toeristische trekpleister zijn.

Imperfectie is een wezenlijk bestanddeel van schoonheid. Mensen worden er door aangetrokken. Perfectie is stomvervelend. Als een fotograaf wacht tot alle beeldelementen perfect op hun plaats vallen, maakt hij nooit een foto. Wie perfectie nastreeft, raakt verlamd. Je klampt je vast aan zekerheden – de dingen die je feilloos beheerst – en gaat risico’s en experimenten uit de weg. Je wordt voorspelbaar. Dodelijk voor een creatief beroep.

Wanneer is een foto goed?
Niet zelden is de eerste opname meteen raak. Fotograaf Jasper Zwartjes heeft er een boek over gemaakt, “First Polaroids”. Een collectie foto’s die aan de basis van iedere opdracht lagen. En die laten zien hoe interessant zo’n eerste stap in het fotografisch proces kan zijn. Paul Ruigrok: ‘Door je ervaring doe je veel handelingen automatisch. Zonder nadenken zet je het statief op de goede plek; instinctief pak je de juiste lens en voor je er erg in hebt, schiet je om elf uur ’s ochtends de gedroomde foto.’ Daarna slaat de twijfel toe. Klant en artdirector kunnen niet geloven dat het zo makkelijk is. Dat kan niet goed zijn. (Bovendien – Hollandse koopmansgeest – is de fotograaf voor een hele dag geboekt.) Gut feeling maakt plaats voor rationeel denken. Het ene experiment volgt op het andere. Om uiteindelijk bij die eerste foto terug te komen.
Paul Ruigrok: ‘Maar het is geen wet dat het de eerste keer direct goed is. Je kan er ook helemaal naast zitten. Het is óf in één keer goed, óf totaal verkeerd.’
Lukas Göbel “weet” wanneer hij het juiste beeld geschoten heeft. Hij heeft het gevoelsmatig voorbij zien komen. ‘Maar zonder het zeker te weten, in de zin van “ik heb het gezien”. Het is niet zo dat het perfecte beeld op je netvlies staat. Dus fotografeer je nog even door.’
Valérie van der Wal: ‘Ergens tijdens de opnamesessie voel ik “dit is het”. Ik probeer nog wel met varianten of er iets te verbeteren is, maar kom toch bij die ene opname uit.’
Marcel van der Vlugt fotografeert sinds een jaar of twintig vrijwel alles op grootformaat Polaroidmateriaal. ‘Analoog werkende fotografen kunnen een maagzweer krijgen van de vraag of het goede beeld er tussen zit. Omdat ik op Polaroid werk, wéét ik – uit eigen waarneming – dat ik de goede opname heb.’ Daarna gaat hij toch nog door op de zoektocht naar het beste beeld. ‘Kijken of je het ook op een andere manier kunt benaderen. Ik ga door tot ik zeker weet dat het goed is.’
Vincent van de Wijngaard: ‘Gebeurtenissen groeien. Soms blijkt in het esthetisch mooiste beeld iemands expressie net niet lekker. Dan gaat het om wat het zwaarste weegt: expressie of esthetiek.’ In principe heeft Van de Wijngaard geen moeite met een foutje. ‘Dat maakt het beeld intrigerend. Te gave beelden kom je niet binnen, die zijn hermetisch gesloten en geven geen ruimte aan de kijker om een eigen verhaal te maken.’
Göbel: ‘Imperfectie is spannender. Beelden waar iets niet aan klopt, zijn interessanter. Het net niet perfecte moment is het mooist.’

Voorbereiding
Paul Ruigrok: ‘Alles wat je beoogt of wilt bereiken, moet vooraf bedacht worden. Je kunt veel in beeldbewerking gladstrijken of toevoegen, maar je moet vooraf weten wat je wilt. “Weten waarmee je wilt thuiskomen”, is het credo. Als je niet precies weet waar je naartoe wilt, wordt het een drama, een gebed zonder end. Dus moet je eerst je huiswerk doen.’
Als Lukas Göbel een celebrity moet fotograferen, is hij anderhalf uur voor de afgesproken tijd aanwezig. Met zijn assistent bekijkt hij de omgeving, op zoek naar geschikte plekken. Er worden polaroids gemaakt en ideetjes bedacht. ‘Op het moment dat ik ga fotograferen, laat ik alles los. Ik wil openstaan voor ideeën van buiten, anticiperen op wat gebeurt.’ Toen Göbel op straat een portret van couturier Frans Molenaar maakte, kwam er een buurman met een Deense dog voorbij. ‘Ik heb gevraagd of die hond een paar keer door mijn beeld kon lopen.’ Van Tom Waits kreeg Göbel een kwartier. Genoeg om zes of zeven verschillende beelden te schieten.
Locatiefotograaf Vincent van de Wijngaard bedenkt niets vooraf. Hij loopt met de te portretteren persoon rond, zonder voorgekookte bedoelingen. Toeval krijgt veel ruimte. ‘Maar dat komt omdat ik geen lampen gebruik. Hooguit een spiegel.’ Hij maakt pure straatfotografie waarvoor geen licht neergezet hoeft te worden.
De honden die Paul Ruigrok gebruikte om een hondenslee te trekken, werden vooraf zorgvuldig geselecteerd. Vervolgens kregen ze de tijd om aan elkaar en aan de tuigjes te wennen en oefenden ze in het trekken van een slee. De tuigjes werden speciaal gemaakt. Omdat de honden van verschillende grootte zijn, om de honden dichtbij de slee te houden (in het echt zijn de leidsels veel langer) en om een fotografisch interessant lijnenspel te krijgen. Het pak van de Eskimo werd speciaal gemaakt. Het Britse bedrijf “Snow Business”, maakte de sneeuw. Van papierpulp, dat niet schadelijk voor de honden is. Ruigrok: ‘Kijk, bij zo’n opname is het heerlijk om digitaal te werken. Je kan meteen het resultaat zien. Omdat ze een enorm spoor trokken, konden die honden maar een paar keer heen en weer lopen.’ De sneeuw op de voorgrond is papierpulp. De lucht en de ijsbergen achterin komen uit Pauls eigen beeldarchief, van toen hij een keer in Groenland was. ‘De kwaliteit zit in de voorbereiding. De foto-opname zelf was misschien maar vijf of tien procent van het werk. Een anticlimax bijna.’

Tijdens de sessie
Marcel van der Vlugt: ‘Bij mij is het werkproces altijd ‘stop motion’. De eerste polaroid wordt bekeken en aan de muur gehangen. De volgende komt daarnaast. Op een gegeven moment hangen er twintig. De eerste vind ik mooi, de derde, de tiende ook wel. Maar misschien is die derde toch het meest bijzonder. Er is iets niet perfect, een kleine beweging die ik in eerste instantie storend vond en daarom wilde elimineren in mijn volgende opnames, maar waar ik nu toch op terugkom. Juist door die imperfectie blijkt hij het meest interessant. Een heel boeiend proces, nog eens versterkt door de prettige traagheid van een grootformaat camera. Bij een andere techniek zou het zo niet werken.’

Wanneer gaat het mis?
Paul Ruigrok: ‘Vroeger maakte je een test op Polaroid. Als die goed was, maakte je het definitieve beeld op film. Die ging naar het lab. Totdat die ontwikkeld terugkwam, verkeerde je in spanning. Waar weer tegenover stond dat die onzekerheid of je het goede beeld wel geschoten had, je de energie gaf nog even door te gaan. Vaak zat daar dan die ene, bijzondere opname tussen. Nu, in het digitale tijdperk, zie je direct resultaat. Waar je al gauw tevreden over bent. Je stopt als je denkt dat je het hebt. Karig hoor.’
Lukas Göbel: ‘Omdat je bij film nooit zeker weet of je het goede beeld hebt, trek je aan het eind van de sessie een sprint. Iedereen gooit er nog even een schepje bovenop. Vaak is dát het stadium dat het gebeurt. Had je tussentijds naar de gemaakte beelden kunnen kijken, dan was de spanning uit de sessie geweest en was die eindspurt er nooit gekomen.’
Göbel: ‘Interessante dingen gebeuren vaak op onbewaakte ogenblikken. Bij digitale fotografie mis je dat. Niet dat het resultaat kwalitatief minder is, maar de spanningsboog ligt anders. Als je tussendoor naar de opnames gaat kijken, haal je de flow eruit.’
Paul Ruigrok: ‘Bij digitale fotografie ligt de concentratie anders. Je schiet makkelijker. Je hoeft niet zuinig te zijn omdat het niks kost en je kunt de hele tijd de resultaten volgen. Het haalt de spanning uit de fotosessie.’
Vincent van de Wijngaard: ‘Ik kan een stoel laten staan zoals ik hem bij binnenkomst aantrof en de camerapositie daarop afstemmen. En ik kan mijn camera neerzetten en de stoel zo verplaatsen dat hij het beste in mijn beeld past. Je krijgt dan snel te zwaar gecomponeerde beelden. Die zijn meer mathematisch dan compositorisch. Alles klopt, waardoor het beeld hermetisch wordt.’

Post-production
In het digitaal ‘schoonpoetsen’ zit de meeste kans op ontsporingen. Valérie van der Wal en Lukas Göbel zeggen precies te weten wanneer ze moeten stoppen: ‘Voordat het wordt dood gepoetst.’ Paul Ruigrok weet meestal wel wanneer hij stoppen moet. Alleen valt dat punt niet altijd samen met de tevredenheid van de klant. ‘Soms ga je te ver door, heel geleidelijk, als je twee of drie dagen aan het beeld werkt. Je moet regelmatig even terugkijken naar waar je vandaan komt.’ Voor ingewikkelde montages werkt Marcel van der Vlugt met een freelance operator, die de klus bij hem in de studio komt doen. Hij heeft het dan al in lage resolutie, schetsmatig, voorbereid. De operator voert die schets dan technisch perfect uit. Maar Van der Vlugt kan het heel goed zelf en weet dat ingehouden te doseren: dit moedervlekje wel, dat haartje niet.

Wat vroeger praktisch gesproken onmogelijk was – het gefotografeerde beeld achteraf verbeteren – is nu het makkelijkste deel van het werk. Zo makkelijk, dat er zwaar op postproductie wordt geleund. Omdat alles kan, is men op het moment van de opname minder geconcentreerd. In de digitale beeldbewerking kunnen dingen doodgemaakt worden, zo perfect opgepoetst dat het plastic wordt. Er ontstaat synthetisch beeld. De spontaniteit is weg. Alles wordt tot in het kleinste detail gecontroleerd. Menig analoog fotograaf beleefde er plezier aan om met een 8x10” camera, licht en lenzen dingen die eigenlijk niet kunnen in beeld te brengen. Creatief gezien was het misschien vervelend, maar met enorm veel voldoening door de technische oplossing die ervoor gekozen werd. Die voldoening is nu weg. Het is minder leuk om na afloop van de opname het digitale beeld uit te zoeken, in mapjes te stoppen en naar de beeldbewerker te sturen. Paul Ruigrok: ‘Vroeger wilde je het resultaat bereiken in de opname. Door secuur te werken, goed uit te lichten, zorgvuldig voor te bereiden. Nu komen die dingen achteraf. Doordat alles kan, stellen klanten steeds meer eisen. Het wordt illustreren met fotografisch materiaal.’

Wat kan, hoeft niet altijd. Omdat de digitale techniek de mogelijkheid van een perfect resultaat biedt, hoef je daar nog geen gebruik van te maken. De jury van de Zilveren Camera zegt niet gekant te zijn tegen technische perfectie (‘overigens wel tegen al te opzichtig shoppen’), maar ‘mist vaak de menselijke maat bij de technische perfectionisten’. Komt perfectie misschien voort uit onzekerheid? Uit onzekerheid ontstaan de mooiste dingen. Het is de adrenaline die je in de richting stuurt. De ene keer goed, de andere keer superieur. Nu nog de terughoudendheid om de technische mogelijkheden beheerst gedoseerd te benutten.

De fotograaf is beeldregisseur geworden, met een arsenaal aan digitale mogelijkheden. Met het risico dat in het streven naar perfectie het beeld kapot wordt gemaakt. Een mooi landschap, een schitterende lucht, een perfect uitgelichte auto. Stuk voor stuk fantastische elementen die bij elkaar een draak van een foto opleveren. Als je van alles het beste neemt, wordt het nep.

©Pim Milo, 2007

0 Comments:

Een reactie plaatsen

Links to this post:

Een link maken

<< Home