Vuistregels voor fotoboeken
De droom van iedere fotograaf: een eigen fotoboek. En waarom ook niet? Een boek is wellicht de beste vorm om foto’s te publiceren, specialer dan een expositie. Je kunt een boek vasthouden, steeds opnieuw uit de kast halen, inkijken, doorbladeren, tussentijds wegleggen en weer oppakken.
Een tentoonstelling is plaats- en tijdgebonden, een boek is transportabel en kan met de jaren rijpen, diepgang en perspectief krijgen, een sleutel tot een periode worden. Aan een expositie ontbreken zetspiegel, bladspiegel en rugmarge, de sensatie van wat er na het omslaan van de volgende pagina’s te voorschijn komt, het spel dat je met links, midden en rechts van een gedrukte dubbele pagina kunt doen. Bij een boek is er geen suppoost die je op de vingers kijkt, zijn er geen hinderlijk in de weg lopende andere bezoekers, is er geen reflecterend glas tussen jou en de foto. Geen bezoektijden waaraan je je moet houden. Je eigen lichtregeling, je eigen condities waaronder je naar de foto’s wilt kijken. Je kunt een boek vastpakken, geopend neerleggen en later weer oppakken. Je kunt, als fotograaf, de kijker van de eerste tot de laatste pagina meenemen omdat je de kijkvolgorde kunt dicteren en typografie, lay-out en opmaak als stuurelementen hebt. Je kunt tekst toevoegen en zelfs geluid – door middel van een bijgesloten CD. Je kunt een gelimiteerde editie uitbrengen in bewaarcassette of met een originele druk erbij. Je kunt signeersessies houden en er een relatiegeschenk van maken. Mét en dankzíj een boek komen jij en je werk op plekken waar je anders nooit zou komen.
Helaas blijft een boek voor menigeen een droom. En vaak ook eindigt het gedroomde boek in een deceptie: onopgemerkt en nauwelijks verkocht belandt het in de ramsj.
Vuistregel 1:
Een boek kost geld en levert niets op. Wie op directe inkomsten rekent, komt van een koude kermis thuis. Het klinkt bitter, maar ook de fotograaf krijgt in beginsel niets betaalt, terwijl vormgever, drukker, binder, boekhandel en distributeur er wel geld aan over houden. De kostprijs van een fotoboek ligt hoog, de verkoop laag. Daarom kan de verkoopprijs niet in verhouding tot de kosten staan, omdat er dan helemaal niets meer verkocht zou worden.
Vuistregel 2:
Een fotoboek is alleen voor liefhebbers interessant. Nederland kende zo’n 700 kopers van fotoboeken, een aantal dat de laatste jaren eerder is afgenomen. Voor de kosten maakt het nauwelijks iets uit of je 700, dan wel 1.500 boeken drukt. Van die 1.500 gaan er 700 naar het vaste groepje kopers, die voor 90% uit vakgenoten bestaan. De andere 800 exemplaren belanden met een jaar of twee in de opruiming. En na nog eens tien jaar bij de antiquaar, waar ze wellicht langzaam in waarde zullen stijgen. Er zijn altijd uitzonderingen. Bijvoorbeeld In den beginne, van Hans en Laura Samsom-Rous, waarvan er sinds 1974 wereldwijd meer dan een kwart miljoen exemplaren zijn verkocht.
Vuistregel 3:
In het buitenland is het niet anders of beter dan in Nederland. In absolute aantallen is de situatie in Amerika zelfs slechter. De gemiddelde oplage voor een fotoboek bedraagt daar 3.000 stuks, terwijl de bevolkingsomvang 17,5 keer zo groot is als die van ons. Lange tijd leek Duitsland als fotoboekenland een gunstige uitzondering. Mooie verkoopcijfers, enkele toonaangevende uitgevers (Seidl, Schirmer-Mosel) en gespecialiseerde boekhandels. Helaas gaat het daar ook met het jaar minder.
Vuistregel 4:
Het uitgeven van fotoboeken is liefdewerk. Uitgevers krijgen wekelijks plannen en projecten voor fotoboeken aangeboden. Omdat de investeringen hoog zijn, en de winstkansen minimaal, pakt een uitgever alleen de projecten die hem persoonlijk aanspreken. Verdiep je dus in de uitgever. Kijk naar zijn fondscatalogus, naar zijn website, naar zijn persoonlijke interesses. Dat scheelt tijd en teleurstelling. En alleen als je zeker weet dat jouw werk zich kan meten met dat van Ed van der Elsken, Johan van der Keuken of Bertien van Manen, kan je zonder meer naar zo’n beetje elke uitgever stappen.
Vuistregel 5:
Zonder subsidie is het uitgeven van fotoboeken niet haalbaar. Vervelend dat die subsidie in principe voor de koper is. Subsidiefondsen kijken streng. Misschien zelfs elitair, op zijn minst kritisch: ‘Wat voegt het boek toe aan het culturele aanbod?’ Ondertussen staan de subsidies onder druk. Aan de ene kant wordt bezuinigd, terwijl er aan de andere kant door steeds meer partijen een beroep op wordt gedaan.
Vuistregel 6:
Een oeuvre-boek is zelden interessant, tenzij je Henri Cartier-Bresson heet of net bent overleden. En wie vooral vanwege het prestige een boek wil, kan dat ook maar beter laten. Alleen eigenlijke motieven tellen: foto’s die iets te zeggen hebben. Tekst, vormgeving en beeld moeten samen een bijzonder en uitzonderlijk goed geheel vormen. Een boek met een pakkend onderwerp heeft de meeste slagingskans. Vooropgesteld dat er een grote doelgroep voor is: voetbal, popmuziek, dat soort een brede interessegroep aansprekende zaken. Zo sla je twee vliegen in één klap: de kopers van fotoboeken en de liefhebbers van bijvoorbeeld voetbal of popmuziek. Maar reken je niet rijk. Het boek American Music (popmuziek!) van Annie Leibovitz (fotografie, en wat voor fotografie!) lag – terwijl de drukinkt nog nat was – al in de uitverkoop.
Vuistregel 7:
Meertaligheid, of aparte edities per land of taal, is een basisvoorwaarde voor internationaal succes. De bibliotheek van Jan Wingender, die de grootste en meest complete verzameling Nederlandse fotoboeken behelst, omvat zo’n 5.000 verschillende publicaties. In The Book of 101 Books (Andrew Roth, 2001), een overzicht van de belangrijkste fotoboeken, staat slechts één Nederlandse titel: Een Liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés, van Ed van der Elsken. Uitgegeven in 1956, een absoluut meesterwerk en ruim veertig jaar lang alleen antiquarisch te koop. De herdruk, uit 1999 – nog altijd een must voor iedere serieuze fotoboekenkast – verkoopt slechts mondjesmaat. Enige nederigheid over de rol en betekenis van een (Nederlands) fotoboek is hier op zijn plaats.
Vuistregel 8:
Zonder recensies kom je er niet. Nog beter is een presentatie in een veelbekeken televisieprogramma. Televisieprogramma’s die daarom tientallen aanvragen per dag krijgen. Het meesterlijke Les pyramides du nord van Paul den Hollander wist bij verschijnen nauwelijks een recensie los te maken. Zoiets komt hard aan, als je er vele jaren lang je ziel en zaligheid in hebt gelegd. Marrie Bot's Geliefden/Timeless Love daarentegen kreeg – mede vanwege het veel toegankelijker onderwerp – alle aandacht van de media. Wie, zoals Bot, zelf de eigen boeken uitgeeft moet er vervolgens niet tegenop zien om keer op keer op beurzen en tentoonstelllingen de boekenvoorraad aan te vullen. Succes vraagt zijn tol!
Vuistregel 9:
Wie van een eigen fotoboek droomt, doet er goed aan zich met een ‘klankbordgroepje’ te omringen. Vrienden en deskundigen, lief en streng door elkaar, die naar jouw werk kijken en naar je dromen luisteren. Die je stimuleren of juist afremmen. Die je kritisch volgen en helpen om keuzes te maken. Die helpen met redigeren, die je vertellen waar nog ‘gaten’ zitten en suggesties voor aanvullingen of verbeteringen doen. Die gevoel hebben voor vorm en inhoud. Die je op het goede pad en bij de les houden. En die jij tenslotte dankbaar in het colofon vermeldt. Neem tenminste een vakbroeder of –zuster in de arm. Uiteindelijk zijn het vooral je vakgenoten die fotoboeken kopen.
Vuistregel 10:
Als het bij een uitgever niet lukt, doe je het gewoon zelf. Je mist de wellicht prestigieuze uitgeversnaam op je titelblad, en je moet het zonder zijn distributie en vertegenwoordigerscorps stellen. Maar je wordt niet tot concessies gedwongen, je bent vrij in de keuze van de vormgever, drukker en binder, en niemand die jou voorschrijft wat de kostprijs mag worden. En je bepaalt ook zelf of jouw boek in de ramsj terecht komt. Als doe-het-zelver stuit je op enkele stevige hobbels, waarvan subsidie en distributie de grootste zijn. Subsidiënten als de Mondriaan Stichting geven alleen geld aan rechtspersonen, niet aan particulieren zoals fotografen. En het is bijzonder lastig, zo niet onmogelijk, om zelf je boekdistributie ter hand te nemen. Terwijl goede distributie vreselijk belangrijk is. Zoek dus een distributeur en laat die ook een deel van de subsidieaanvragen ter hand nemen. Als doe-het-zelver bevind je je in goed gezelschap. Paul de Nooijer publiceerde Losing one’s head (1978), Losing one’s photo (1981) en Home sweet home (1982) in eigen beheer. Marrie Bot gaf haar vier boeken zelf uit, alleen geholpen door een distributeur: Miserere (1984), Bezwaard bestaan (1988), Een laatste groet (‘een monument in de hedendaagse documentaire fotografie’, 1998) en Geliefden/Timeless Love (2004). Bezwaard bestaan was in anderhalve maand uitverkocht en beleefde twee herdrukken. Annie van Gemert publiceerde eveneens in eigen beheer: Uniformiteit in 1997, Kinderrijk in 2002,Een zomer aan zee in 2003 en Kloosterlingen in 2006. Paul den Hollander gaf zelf in 1992 Les pyramides du nord uit en in 1997 Voyage botanique. Anja de Jong kwam in 1998 met het bescheiden Borderland 1992-1998, een vingeroefening voor de definitieve publicatie die in 2004 verscheen: het ambitieuze The Borderland Project, de afsluiting van een tien jaar durende fotografische productie.
Noeste zwoegers, die niet alleen veel tijd en energie in hun fotografie steken, maar ook in de boekpublicatie en alles daar omheen: het werven van fondsen, het selecteren en benaderen van auteurs, redactie, vormgever, drukker, binder en distributeur. En wier volhardendheid bij subsidieaanvragen soms wordt afgestraft met het afwijzende bericht: ‘Jij bent zo vasthoudend, dat boek komt er ook zonder subsidie wel.’
©Pim Milo, 2006
Een tentoonstelling is plaats- en tijdgebonden, een boek is transportabel en kan met de jaren rijpen, diepgang en perspectief krijgen, een sleutel tot een periode worden. Aan een expositie ontbreken zetspiegel, bladspiegel en rugmarge, de sensatie van wat er na het omslaan van de volgende pagina’s te voorschijn komt, het spel dat je met links, midden en rechts van een gedrukte dubbele pagina kunt doen. Bij een boek is er geen suppoost die je op de vingers kijkt, zijn er geen hinderlijk in de weg lopende andere bezoekers, is er geen reflecterend glas tussen jou en de foto. Geen bezoektijden waaraan je je moet houden. Je eigen lichtregeling, je eigen condities waaronder je naar de foto’s wilt kijken. Je kunt een boek vastpakken, geopend neerleggen en later weer oppakken. Je kunt, als fotograaf, de kijker van de eerste tot de laatste pagina meenemen omdat je de kijkvolgorde kunt dicteren en typografie, lay-out en opmaak als stuurelementen hebt. Je kunt tekst toevoegen en zelfs geluid – door middel van een bijgesloten CD. Je kunt een gelimiteerde editie uitbrengen in bewaarcassette of met een originele druk erbij. Je kunt signeersessies houden en er een relatiegeschenk van maken. Mét en dankzíj een boek komen jij en je werk op plekken waar je anders nooit zou komen.
Helaas blijft een boek voor menigeen een droom. En vaak ook eindigt het gedroomde boek in een deceptie: onopgemerkt en nauwelijks verkocht belandt het in de ramsj.
Vuistregel 1:
Een boek kost geld en levert niets op. Wie op directe inkomsten rekent, komt van een koude kermis thuis. Het klinkt bitter, maar ook de fotograaf krijgt in beginsel niets betaalt, terwijl vormgever, drukker, binder, boekhandel en distributeur er wel geld aan over houden. De kostprijs van een fotoboek ligt hoog, de verkoop laag. Daarom kan de verkoopprijs niet in verhouding tot de kosten staan, omdat er dan helemaal niets meer verkocht zou worden.
Vuistregel 2:
Een fotoboek is alleen voor liefhebbers interessant. Nederland kende zo’n 700 kopers van fotoboeken, een aantal dat de laatste jaren eerder is afgenomen. Voor de kosten maakt het nauwelijks iets uit of je 700, dan wel 1.500 boeken drukt. Van die 1.500 gaan er 700 naar het vaste groepje kopers, die voor 90% uit vakgenoten bestaan. De andere 800 exemplaren belanden met een jaar of twee in de opruiming. En na nog eens tien jaar bij de antiquaar, waar ze wellicht langzaam in waarde zullen stijgen. Er zijn altijd uitzonderingen. Bijvoorbeeld In den beginne, van Hans en Laura Samsom-Rous, waarvan er sinds 1974 wereldwijd meer dan een kwart miljoen exemplaren zijn verkocht.
Vuistregel 3:
In het buitenland is het niet anders of beter dan in Nederland. In absolute aantallen is de situatie in Amerika zelfs slechter. De gemiddelde oplage voor een fotoboek bedraagt daar 3.000 stuks, terwijl de bevolkingsomvang 17,5 keer zo groot is als die van ons. Lange tijd leek Duitsland als fotoboekenland een gunstige uitzondering. Mooie verkoopcijfers, enkele toonaangevende uitgevers (Seidl, Schirmer-Mosel) en gespecialiseerde boekhandels. Helaas gaat het daar ook met het jaar minder.
Vuistregel 4:
Het uitgeven van fotoboeken is liefdewerk. Uitgevers krijgen wekelijks plannen en projecten voor fotoboeken aangeboden. Omdat de investeringen hoog zijn, en de winstkansen minimaal, pakt een uitgever alleen de projecten die hem persoonlijk aanspreken. Verdiep je dus in de uitgever. Kijk naar zijn fondscatalogus, naar zijn website, naar zijn persoonlijke interesses. Dat scheelt tijd en teleurstelling. En alleen als je zeker weet dat jouw werk zich kan meten met dat van Ed van der Elsken, Johan van der Keuken of Bertien van Manen, kan je zonder meer naar zo’n beetje elke uitgever stappen.
Vuistregel 5:
Zonder subsidie is het uitgeven van fotoboeken niet haalbaar. Vervelend dat die subsidie in principe voor de koper is. Subsidiefondsen kijken streng. Misschien zelfs elitair, op zijn minst kritisch: ‘Wat voegt het boek toe aan het culturele aanbod?’ Ondertussen staan de subsidies onder druk. Aan de ene kant wordt bezuinigd, terwijl er aan de andere kant door steeds meer partijen een beroep op wordt gedaan.
Vuistregel 6:
Een oeuvre-boek is zelden interessant, tenzij je Henri Cartier-Bresson heet of net bent overleden. En wie vooral vanwege het prestige een boek wil, kan dat ook maar beter laten. Alleen eigenlijke motieven tellen: foto’s die iets te zeggen hebben. Tekst, vormgeving en beeld moeten samen een bijzonder en uitzonderlijk goed geheel vormen. Een boek met een pakkend onderwerp heeft de meeste slagingskans. Vooropgesteld dat er een grote doelgroep voor is: voetbal, popmuziek, dat soort een brede interessegroep aansprekende zaken. Zo sla je twee vliegen in één klap: de kopers van fotoboeken en de liefhebbers van bijvoorbeeld voetbal of popmuziek. Maar reken je niet rijk. Het boek American Music (popmuziek!) van Annie Leibovitz (fotografie, en wat voor fotografie!) lag – terwijl de drukinkt nog nat was – al in de uitverkoop.
Vuistregel 7:
Meertaligheid, of aparte edities per land of taal, is een basisvoorwaarde voor internationaal succes. De bibliotheek van Jan Wingender, die de grootste en meest complete verzameling Nederlandse fotoboeken behelst, omvat zo’n 5.000 verschillende publicaties. In The Book of 101 Books (Andrew Roth, 2001), een overzicht van de belangrijkste fotoboeken, staat slechts één Nederlandse titel: Een Liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés, van Ed van der Elsken. Uitgegeven in 1956, een absoluut meesterwerk en ruim veertig jaar lang alleen antiquarisch te koop. De herdruk, uit 1999 – nog altijd een must voor iedere serieuze fotoboekenkast – verkoopt slechts mondjesmaat. Enige nederigheid over de rol en betekenis van een (Nederlands) fotoboek is hier op zijn plaats.
Vuistregel 8:
Zonder recensies kom je er niet. Nog beter is een presentatie in een veelbekeken televisieprogramma. Televisieprogramma’s die daarom tientallen aanvragen per dag krijgen. Het meesterlijke Les pyramides du nord van Paul den Hollander wist bij verschijnen nauwelijks een recensie los te maken. Zoiets komt hard aan, als je er vele jaren lang je ziel en zaligheid in hebt gelegd. Marrie Bot's Geliefden/Timeless Love daarentegen kreeg – mede vanwege het veel toegankelijker onderwerp – alle aandacht van de media. Wie, zoals Bot, zelf de eigen boeken uitgeeft moet er vervolgens niet tegenop zien om keer op keer op beurzen en tentoonstelllingen de boekenvoorraad aan te vullen. Succes vraagt zijn tol!
Vuistregel 9:
Wie van een eigen fotoboek droomt, doet er goed aan zich met een ‘klankbordgroepje’ te omringen. Vrienden en deskundigen, lief en streng door elkaar, die naar jouw werk kijken en naar je dromen luisteren. Die je stimuleren of juist afremmen. Die je kritisch volgen en helpen om keuzes te maken. Die helpen met redigeren, die je vertellen waar nog ‘gaten’ zitten en suggesties voor aanvullingen of verbeteringen doen. Die gevoel hebben voor vorm en inhoud. Die je op het goede pad en bij de les houden. En die jij tenslotte dankbaar in het colofon vermeldt. Neem tenminste een vakbroeder of –zuster in de arm. Uiteindelijk zijn het vooral je vakgenoten die fotoboeken kopen.
Vuistregel 10:
Als het bij een uitgever niet lukt, doe je het gewoon zelf. Je mist de wellicht prestigieuze uitgeversnaam op je titelblad, en je moet het zonder zijn distributie en vertegenwoordigerscorps stellen. Maar je wordt niet tot concessies gedwongen, je bent vrij in de keuze van de vormgever, drukker en binder, en niemand die jou voorschrijft wat de kostprijs mag worden. En je bepaalt ook zelf of jouw boek in de ramsj terecht komt. Als doe-het-zelver stuit je op enkele stevige hobbels, waarvan subsidie en distributie de grootste zijn. Subsidiënten als de Mondriaan Stichting geven alleen geld aan rechtspersonen, niet aan particulieren zoals fotografen. En het is bijzonder lastig, zo niet onmogelijk, om zelf je boekdistributie ter hand te nemen. Terwijl goede distributie vreselijk belangrijk is. Zoek dus een distributeur en laat die ook een deel van de subsidieaanvragen ter hand nemen. Als doe-het-zelver bevind je je in goed gezelschap. Paul de Nooijer publiceerde Losing one’s head (1978), Losing one’s photo (1981) en Home sweet home (1982) in eigen beheer. Marrie Bot gaf haar vier boeken zelf uit, alleen geholpen door een distributeur: Miserere (1984), Bezwaard bestaan (1988), Een laatste groet (‘een monument in de hedendaagse documentaire fotografie’, 1998) en Geliefden/Timeless Love (2004). Bezwaard bestaan was in anderhalve maand uitverkocht en beleefde twee herdrukken. Annie van Gemert publiceerde eveneens in eigen beheer: Uniformiteit in 1997, Kinderrijk in 2002,Een zomer aan zee in 2003 en Kloosterlingen in 2006. Paul den Hollander gaf zelf in 1992 Les pyramides du nord uit en in 1997 Voyage botanique. Anja de Jong kwam in 1998 met het bescheiden Borderland 1992-1998, een vingeroefening voor de definitieve publicatie die in 2004 verscheen: het ambitieuze The Borderland Project, de afsluiting van een tien jaar durende fotografische productie.
Noeste zwoegers, die niet alleen veel tijd en energie in hun fotografie steken, maar ook in de boekpublicatie en alles daar omheen: het werven van fondsen, het selecteren en benaderen van auteurs, redactie, vormgever, drukker, binder en distributeur. En wier volhardendheid bij subsidieaanvragen soms wordt afgestraft met het afwijzende bericht: ‘Jij bent zo vasthoudend, dat boek komt er ook zonder subsidie wel.’
©Pim Milo, 2006


0 Comments:
Een reactie plaatsen
Links to this post:
Een koppeling maken
<< Home