vrijdag, juli 28, 2006

Anthon Beeke & Krijn van Noordwijk

Old Kids On The Block

Conceptjongens die fotograaf worden, daar moet je voor oppassen. Behalve als ze briljant zijn. Of juist. Eeuwige jongeren Anthon Beeke en Krijn van Noordwijk (als fotograaf pas net begonnen) over Andy Warhol, halffabrikaten en respect: ‘Ik rommel liever in mijn eigen foto’s dan in die van anderen.’

Anthon Beeke (1940). Slobberige broek met wijde pijpen en elastiek om de enkels. Donker T-shirt, donkergrijze ‘hoody’. Grijze manen. Witte sneakers. Nog altijd dezelfde provo van weleer. Een anarchist die de gevestigde orde ontregelde door alles ter discussie te stellen en ongebruikelijke oplossingen te bedenken. Provocerend door te verrassen. Tegen de mores van zijn generatie in een Porsche bezitten en een Rolex dragen. Shockerende posters maken (Shakespeare’s Troilus en Cressida verbeeld door het achterste van een paard dat bij nadere beschouwing een gebukt staande naakte vrouw blijkt) en daarvan zeggen dat het ‘een feministisch statement’ is. Autodidact, behoudens enkele maanden kunstonderwijs in de avonduren en twee jaar assistent van Jan van Toorn. Begon in 1963 voor zichzelf. Verraste in 1976 vriend en vijand door in dienst te treden van Wim Crouwels Total Design, het bureau waarvan hij de rigide functionele stijl te vuur en te zwaard bestreden had. Vanaf 1982 los-vast met Swip Stolk. Sinds 1987 Studio Anthon Beeke. Fotografeerde in 1969 met drie fotografen tegelijk het naaktemeisjesalfabet: de letters gevormd uit met gevoel voor typografie (en vrouwelijk schoon) gechoreografeerde ensembles van 35 blote dames. Een sensueel lettertype met schreven en klassieke verschillen tussen dik en dun. Zelf fotografeert Beeke sinds z’n 16e. Met, alweer vijf of zes jaar, een eigen fotostudio ‘waar ik veel te weinig kom’. Relativeerde de waarde van reclameprijzen door tijdens een ADCN-uitreiking op het podium te verschijnen met een rugzakje, waarin hij achteloos zijn drie of vier gewonnen Lampen liet verdwijnen. Jazzliefhebber. Toen de beroemde cyclus ‘Jazz in het Concertgebouw’ speelde, was Beeke een vijftien- of zestienjarige slagersknecht en het Concertgebouw klant van zijn baas. Beeke wist hoe hij zonder betalen kon binnenkomen. Terwijl zijn moeder dacht dat hij boven lag te slapen, zat Beeke in de Grote Zaal. ‘Ik wilde dichtbij Miles Davis komen, John Coltrane aan kunnen raken. Ik zag Ed van der Elsken daar aan het werk, Hans Dukker, Eddy Posthuma de Boer. Dat wilde ik ook! De een wil voetballer worden, ik fotograaf. Dus liep ik met een camera op dat podium. Ik kon niet belichten, niet instellen, maar ik hou van acteren. Ik hield van die act om de fotograaf uit te hangen.’

De werkkamer van Anthon Beeke ligt aan de tuinzijde van de Keizersgracht, met uitzicht over de riante achtertuinen tussen Keizers- en Herengracht. Geen geluiden van de stad, alleen het gekwinkeleer van vogels. Het daglicht komt van rechts. Op het bureau een 23-inch Cinema HD Display en toetsenbord. Een boekenkast met naslagwerken, waaronder veel fotoboeken en de complete reeks ADCN Annuals. Posters van eigen ontwerp aan de muur. Aan de wand achter Beeke persoonlijke foto’s en een portret van Picasso. Een grote ladekast met daarin ‘het atelierproject’: ‘Ik heb ooit een project in de beeldende kunst gedaan waar ik met haarscherpe fotografie het atelier van een vijftiental kunstenaars in beeld bracht. Onder andere van Marlene Dumas, Peter Struycken, Reinier Lucassen en Teun Hocks. Ik zeg “fotografie”, maar de hele inventaris is in woorden beschreven, er kwam geen camera aan te pas. In de gedetailleerde plattegrond van het atelier staan de woordelijke beschrijvingen exact op de plek waar ik die voorwerpen aantrof. Het is nauwkeurige fotografie waar het beeld aan ontbreekt. Bij het lezen worden de teksten voor je oog weer beelden.’

Krijn van Noordwijk (1958). Baggy jeans, laag op de heupen. Wijd, zwart T-shirt. A fresh pair of kicks met losse veters. Geen Bling Bling, wel een dog tag om de nek. “Loc” zonnebril. Streat wear en tough looks: zwarte muts tot over de oren. Daaronder geblondeerde haren, Clooney cut. Voorkeur voor hoodies: sweaters en body warmers. Nog niet zolang geleden de spitting image van Catweazle: lange goaty en kaalgeschoren kop. Net als Beeke een flinke neus voor al wat hot is. HipHopper (producing, DJ’ing, graffiti) pur sang. Fan van tagger Marc ‘Ecko’ Milecofsky, The Man Who Tagged Air Force One. Studeerde in Rotterdam aan de afdeling Publiciteit van wat nu de Willem de Kooning Academie heet. Van Noordwijk: ‘Ik ging naar de academie om kunstschilder te worden. Ik vond het heerlijk om tot mijn ellebogen en mijn middel in de verf en de klei te staan. Twee jaar later werd de studierichting Publiciteit opgericht. Die intrigeerde mij. Ik liep er steeds vaker naar binnen, merkte dat ik me er lekker voelde en maakte de overstap. Rotringpennen, glimmende attachékoffertjes, camera’s..., allemachtig interessant. Toen ik eindexamen deed stonden de reclamebureaus op mij te wachten. Ik heb het meteen een leuk vak gevonden, omdat het raakt aan alles wat mij interesseert: conceptontwikkeling, vormgeving, typografie, film en fotografie.’ Was, als creative director van O&M in 1994 verantwoordelijk voor ‘de haaienvin’, een beroemde dagbladadvertentie voor de Ford Probe. Zilver, plus deelbekroning Fotografie (Boudewijn Smit) bij de ADCN en datzelfde jaar (1995) eveneens onderscheiden bij PANL en op diverse internationale festivals. Het op schaal gemaakte wegdek, pakweg drie bij twee meter, ruw asfalt voorzien van witte wegmarkering en hoog uitstekende haaienvin, kreeg een nieuwe gebruikstoepassing als Krijns werktafel bij Ogilvy & Mather. Begon zo’n tien jaar geleden met Robbert Jansen Laboratorivm, een hotspot avant la lettre waar kunst en commercie naast elkaar konden floreren. Van Noordwijk: ‘Toen ik creative director was bij Ogilvy & Mather, zat ik veel in vliegtuigen en grote vergaderingen. Ik hoopte dat de klanten ook een beetje om mij klant waren, dat ik dingen voor ze mocht doen. Maar het ging allemaal traag en erg voorzichtig. Daarom ben ik, met Robbert, Laboratorium begonnen. Die stap zorgde dat het academiegevoel weer terugkwam. Niet dat we ons daarmee wilden vergelijken, maar het had iets van Andy Warhols Factory. Het concept had een enorme aantrekkingskracht op creatieve mensen, iedereen kwam binnenlopen. We hebben een boekje met eigen werk gemaakt, dat in het buitenland een zekere cultstatus heeft. We hebben zelfs handtekeningen uit moeten delen. Naar de creatieve wereld was ons verhaal kraakhelder, naar het bedrijfsleven wellicht wat minder. Te wild misschien, of te weinig gedisciplineerd. In de reclamewereld werd het door een aantal mensen herkend. Een creatieve cel die klein wilde blijven, een academie met twee personen die zowel leerling als docent waren. Dat stond ons voor ogen en dat doel hebben we bereikt.’ Verraste eerder dit jaar het reclamevak door dit bureau te verlaten en aan te kondigen als fotograaf verder te willen. Van Noordwijk: ‘Na tien jaar Laboratorium wilde ik mijzelf weer de maat nemen. Was ik goed bezig? Waren er nog andere dingen? Ik heb altijd veel gefotografeerd. Fotografie is belangrijk voor me. Daar moest ik maar eens duidelijk in zijn. Ik wil me toeleggen op het fotograferen van mensen en portretten. Wat ik met Anthon gemeen heb, is dat het bij ons in vorm begint, anders dan veel fotografen die “een beeld willen pakken” en zich vervolgens in de techniek verliezen en in schoonheid sterven. Het gaat me om de impact van het beeld zelf. Een iconografische beeldtaal die je ook ziet in het werk van Annie Leibowitz en Carl Fischer. Ik heb voldoende technische kennis in huis, maar die interesseert me in wezen nauwelijks. Ik ben meer geïnteresseerd in de gebruikstoepassing, wil dingen maken die meteen de aandacht trekken. Affichematige beelden, eigenlijk.’

De werkkamer van Krijn van Noordwijk grenst aan het Vondelpark. Geen geluiden van de stad, alleen het gekwinkeleer van vogels. Het licht komt van links en van voren. Hier twee functioneel lege bureaus met op elk een 23-inch Cinema HD Display. De open kasten zijn goeddeels leeg. Van Noordwijks boeken staan nog elders in verhuisdozen. Op de vloer een Fender Stratocaster uit 1974, een Les Paul DeLuxe van Gibson en een echt museumstuk, een Gretsch White Falcon.

Wat bezielt een conceptmaker om zelf de camera op te pakken, terwijl de hele fotowereld klaar staat om voor je te werken? Boudewijn Neuteboom maakte een van zijn allerbeste foto’s – Bacchanten – voor Beeke. Johan Vigeveno raakte niet uitgesproken over hoe verrassend veel ruimte Beeke gaf. Marcel van der Vlugt maakte ware meesterwerkjes voor Bloom en View on Colour. Waarom moet Beeke dat afpakken door zelf te fotograferen?
Beeke: ‘Ik pak niks af. Het is juist uit respect voor hun werk. Ik heb een idee. En dat idee moet in beeld gebracht worden. Daar moet een plekje in vrij blijven om straks de tekst in te zetten. Voor een fotograaf is de foto het eindproduct, voor mij is het een halffabrikaat waar ik nog mee wil kunnen schuiven, teksten en andere beeldelementen aan toe wil kunnen voegen, de foto een beetje versjteren. Ik rommel liever in mijn eigen foto’s dan in die van anderen.’ Van Noordwijk: ‘Bij Laboratorium ben ik mijn eigen concepten gaan fotograferen. Ik heb iets in mijn hoofd en pak de camera om het definitief vorm te geven. De camera als veredeld schetsblok. Ik had het ook kunnen tekenen. Op de techniek komt het dan niet zo aan, hoewel ik de foto’s die ik toen gemaakt heb, qua licht heel mooi vind. De kracht zit in de eenvoud. Ik merk dat ik nog steeds naar dezelfde simpele, impactvolle beelden zoek. Mijn eerste en mijn laatste foto kan je zo naast elkaar leggen. Technisch ben ik gegroeid, maar het is nog steeds dezelfde zoektocht, dezelfde beeldtaal.’ Beeke: ‘Er speelt nog iets anders mee om zelf te willen fotograferen, een oude ergernis. Je bedenkt als artdirector een onderwerp, je zoekt de spullen bij elkaar, je regelt de locatie en je kiest de modellen, zelfs het soort licht bedenk je en dan komt de fotograaf met zijn spullen en hij kijkt nog even naar je schets en klik... en het auteursrecht is van hem. Alsof niet de auteur, maar de typograaf de geestelijk vader van het boek is.’

Van Noordwijk: ‘Ik weet wat er door anderen is gedaan, wat er kan en wat er nog meer zou kunnen. Ik heb een enorme hoeveelheid beeldreferenties in mijn hoofd. Die informatie ligt allemaal opgeslagen en dan sta je daar met een model en je wilt een portret maken. In één of twee uur moet het dan en daar, met dát licht en díe camera, gebeuren. Dat zijn spannende dingen. Aan de ene kant is daar de shoot. Hoe kom ik er uit? Je gaat er met een idee in en in de volgende uren vergaar je je materiaal. Daarna ben je helemaal leeg. Fysiek moe en mentaal op. Maar diezelfde middag of avond nog bekijk en selecteer je het materiaal, ga je het bewerken. Dat geeft mij juist weer enorm veel energie terug. Ik beschouw mijn computer als doka. Daar wordt materiaal fotografie, net als vroeger. Per foto zoek je naar de beste grading, kijk je hoe je hem kan afmaken. Kleur of zwart-wit? Donkerder of juist lichter? Elke foto vraagt om een eigen benaderingswijze, een eigen aanpak. Dat is voor mij net zo spannend als het fotograferen zelf. Van een halffabrikaat ga je zo naar het eindproduct. In dat proces voel ik mij steeds als een kind dat morgen jarig is.’

©Pim Milo, 2006

0 Comments:

Een reactie plaatsen

Links to this post:

Een link maken

<< Home